Vismigratie

De vissen die in de Waddenzee leven migreren. Elk jaar trekken verschillende soorten naar een ander gebied om te paaien. Deze vissen worden ook wel trekvissen genoemd. Zo ook de haring deze vis trekt van de Noordzee naar het Waddengebied om te paaien. Daardoor zijn er in het voor- en najaar talloze jonge haringen te vinden in de Waddenzee. Maar ook de geep, zeebaars en dwergpijlinktvissen reizen naar de Waddenzee om zich voort te planten. Er zijn ook een aantal soorten die leven in zoet water en paaien in zout water of andersom.

Om toezicht op te houden op de trekvissen zijn er een aantal vispassages die vissen registreren. Hierbij gaat het dan vooral om vispassages die zich bevinden tussen zoet en zout water. De trekvissen die gebruik maken van deze passages, ook wel een vissluis genoemd, worden onderzocht met camerabeelden, DNA- technieken, kruisnetten en een glasaaldetector.

Maar wat is nou precies het belang van deze trekvissen? Hier kan Albert Wester van It Fryske Gea ons meer uitleg over geven.

 

‘Trekvissen zoals de aal maken tweemaal in hun leven de oversteek van zout naar zoet en weer terug. Als de aal van zout naar zoet gaat is het een glasaal en nog erg klein. Deze glasaal komt helemaal vanuit de Golf van Mexico en zwemt door de Atlantische oceaan richting Nederland. Hier kunnen ze de afslag richting het Waddenzee gebied maken en uiteindelijk bij het gemaal de Heining belanden in Vijfhuizen. Hier komen ze doordat ze de lokstroom proeven die het wad wordt opgepompt. Zo’n lokstroom bestaat uit zoet water dat via een gemaal het Wad op wordt gepompt. Als de glasaal hier eenmaal beland is dan passeren ze het gemaal via de vistrap. Dit is meestal rond april en mei. Daarna groeien ze in het binnenwater en trekt de glasaal de polder in via de vaarten en sloten. Als ze hier jaren hebben geleefd en goed gegroeid zijn trekken ze terug naar het zoute water om te paaien. Het is nu geen glasaal meer maar een schieraal. Deze schieraal vertrekt als hij paairijp is, dit is te herkennen aan de rode kleur en spitsere snuit. De schieraal reist weer af naar het gemaal en maakt dat weer de oversteek naar het Wad. Eenmaal hier aangekomen zwemt de schieraal weer naar het kanaal en via de Atlantische oceaan weer richting de Golf van Mexico. Hier paait de schieraal op zijn geboortegrond en sterft daarna. De nieuwe jonge glasaal zullen dezelfde reis maken als hun ouders. Er zijn meerdere soorten die een soortgelijke oversteek maken maar dan anders om. Deze vissen leven in zout water maar paaien in zoet water, van deze vissen sterft ruim 98 tot 99% na het paaien. Deze trekkende soorten komen massaal van zout water naar zoet water om zich voort te planten.’

 

Heb jij als eens een gemaal bezocht met een vistrap? In het Waddengebied bevinden zich er momenteel een aantal gemalen die zoet en zout water verbinden. De Heining bevindt zich tussen Hallum en Marrum (Friesland).

Landschap vanaf oude zeedijk