Of het waar is, weten we niet. Maar het verhaal wil dat er eeuwen geleden in de duinen van West-Terschelling een kasteel stond. Hierin woonde een jonge, mooie prinses, moederziel alleen. Al haar familieleden waren verdwenen op zee.

De prinses en het eiland

Het kasteel stond in het water. Er staat nu nog wel eens water in de duinkommen, maar toen was dat veel erger. De duinen waren nog kaal en het zand stoof alle kanten op. In de ruige omgeving woonde de prinses. Kwam er dan nooit een prins? Ja, zeker wel. Meer dan eens stak er een het Wad over. Maar de prinses wilde op het eiland blijven en dat zagen de prinsen niet zitten. Altijd op zo’n stuk zand midden tussen de golven. Dus dan vertrokken ze weer en bleef de prinses weer alleen achter.

De prinses was geliefd bij de eilanders. Er kon geen zieke zijn, of zij kwam op visite. Dan sprak ze zo zacht met de patiënt dat niemand kon verstaan wat er tussen die twee werd uitgewisseld. Maar ’s avonds, wanneer je geen hand voor ogen kon zien, ging de deur onhoorbaar open. En als je dan ging kijken, zag je geen mens, maar stond er wel eten, precies wat de zieke nodig had, en soms ook warme kleren of een deken. Ook bij ongelukken, en die gebeurden er veel op het eiland, bracht ze troost. Zo hielp ze de ongelukkigen om sterk te zijn en hun lot moedig te dragen.

Aangespoeld

Zeelui die hun schip waren kwijtgeraakt, liet ze in het kasteel slapen. Ze kregen kleren en geld om opnieuw te beginnen. ‘Zo iets komt een zeeman toe’, zei de prinses dan.

Op een nacht, het was stikdonker, liep er een schip vast voor het eiland. Het zat muurvast en woelde zich steeds dieper in het zand. Tot de zee eroverheen sloeg. Toen het begon te dagen, staken alleen de masten nog boven het water uit. Op het strand spoelden meer dan honderd lijken aan. De strandjutters sleepten ze wat hoger op, naar de duinrand. Al snel was daar ook de prinses. Ze bekeek de schipbreukelingen een voor een. Toen ze de laatste had bekeken, richtte ze zich op en stonden de tranen in haar ogen. ‘Weer niet,’ zei ze zacht.

De Doodemanskisten

‘Ik zal ervoor zorgen dat de mannen in ieder geval een eerlijke begrafenis krijgen,’ sprak de prinses. Maar op het kerkhof was geen plek voor zoveel doden. Toen liet de prinses diepe geulen graven rond haar kasteel, om het water weg te laten lopen, en voor elke man een kist timmeren. Alle kisten werden in de drooggelopen grond begraven. Daarna werden de geulen weer dichtgemaakt. Het nieuwe kerkhof liep onder water. En zo komen de Doodemanskisten aan hun naam.

Het kasteel is tot de laatste steen verdwenen. En de prinses? Ze zeggen dat die niet kan sterven zo lang er Schellingers op het eiland wonen. Je ziet haar nooit, maar als je ziek wordt op het eiland, dan kun je haar aanwezigheid voelen.

Bron: https://www.beleven.org/verhaal/de_prinses_van_het_eiland

Verder lezen? - Ontdek meer Sprookjes en Sagen van de Wadden